De Grijze Noordzeegarnaal Crangon Vulgaris |
|
|---|---|
|
|
Algemene informatie |
|
|
De
Latijnse naam voor de Garnaal is Crangon Vulgaris. De Garnaal is
een schaaldiertje, wat het familie maakt van de krabben en de kreeften.
Garnalen zijn hermafrodiet, ze worden geboren als een mannelijk diertje
en veranderen later in een vrouwelijke Garnaal op rijpere leeftijd. Een
jong wijfje draagt in een legsel twaalf tot vijftienhonderd eitjes, een
oudere Garnaal soms negen tot veertienduizend eitjes. Bovendien hebben visserijbiologen
vastgesteld dat een wijfje twee tot driemaal per jaar zaad kan afleggen.
Het jonge broed leeft in de oppervlakkige zeelagen en is daardoor zeer gevoelig
voor klimaatwisselvalligheden en weergesteldheden. Het is tevens een prooi
voor alle andere zeewezens. Na enkele weken ontpopt het broed, en er komen
larven te voorschijn, die zich dan in verschillende stadia tot een volwassen
Garnaal ontwikkelen. De Garnaal groeit tot ongeveer 6 - |
| De
Garnaal komt over de hele wereld voor, en voelt zich op elke ondergrond
thuis. In de gebieden waar de Garnalen gevangen worden, varieert de bodem
van slijk en zandachtig tot stenig en rotsig. De gebieden waar de Garnaal
op een bepaald moment van het jaar vertoeft (en dus gevangen wordt) hangt
af van het jaargetijde en de weersgesteldheid. Vooral de temperatuur, is
van grote invloed op het trekgedrag van het diertje. Ook de verandering van het weer kan ervoor zorgen dat de Garnalen zich massaal naar een bepaalde plek van de zee verplaatsen. Dit verplaatsen kan erg snel gebeuren, zeker als men de grootte van het diertje in ogenschouw neemt. Garnalen hebben de neiging, om met slecht weer op komst, naar diepere plekken in zee te trekken. Daarom is het moeilijk te voorspellen waar en wanneer de Garnalen massaal te vangen zijn De Garnaal is een geleedpotig dier dat tot het kreeftenvolk behoort. Alle geleedpotigen hebben een vast pantser, waarvan de geledingen als een trekharmonica aan elkaar vast zitten. De groei van het kreeftenvolkje geschiedt in schokjes omdat het verschillende malen zijn te klein geworden pantser moet afwerpen. De Garnaal vervangt in zijn driejarig bestaan ongeveer dertigmaal zijn pantser. Een mooie volwassen Garnaal weegt ongeveer 1 à 2 gr en het verhandelbare (eetbare) gewicht bedraagt ongeveer 35 à 45% van zijn brutogewicht. |
|
De
Garnaal is een schaaldier en zijn
huidpantser is opgebouwd uit een huid van kalk en chitine en hij heeft
net als een krab vijf paar looppoten. Al de geleedpotigen bewegen zich
op poten, die het lichaam van de bodem houdt. De poten werken als hefbomen
bedient door spieren. Bij
de gewervelde dieren kennen wij het inwendige geraamte, bij de geleedpotigen
is dit een uitwendig skelet of pantser. Het lichaam is verdeeld in een vergroeid en een geleed gedeelte. Het kopborststuk bestaat uit het kopgedeelte en uit het borststuk, die schuilen onder één en hetzelfde rugschild, terwijl het achterlijf daarentegen uitgesproken geledingen vertoont. Bij de Garnaal en de kreeft is het kopborststuk worst vormig . In het verlengde hiervan past het kegelvormige achterlijf, het doet dienst als zwemorgaan en is daarom het meest krachtig gespierd. Elke geleding van het kopborststuk en het achterlijf draagt twee aanhangsels. Zij zijn alle terug te brengen tot vervormde splijtpoten, of het nu sprieten, bovenkaken, mondwerktuigen, kaak- loop- of zwempoten zijn. De splijtpoten bestaan uit een gemeenschappelijke gelede stam en twee ledematen; de buiten- (exopood) en binnenpoot (endopood). De geledingen en de leden van de aanhangsels bewegen onder elkaar met taaie vliezen, de integumenten. Hier werd in het pantser de harde kalklaag uitgepaard. 1-Kleine
sprieten (antennulae) met flagellen
2- Grote sprieten (antennae) 3-Schubvormig aanhangsel van de antenna
(scaphoceriet) 4-Facetoog
(cornea) 5-Voorhoofdstekel
(rostrum) 6- Rugschild (carapax)
7-Taalvlies (integument) 8-Eerste achterlijfsegment 9-Schaarpoot 10- Looppoten (pereiopoden 2x5) 11-Zwempoten
(pleopoden 2x5) 12-Startaanhangels (uropoden) 13-Staarteindstuk (telson) |
|
|---|---|
3=Schubvormig aanhangsel 4= 1ste Kaakpoot (maxillipede I) 5= 2de Kaakpoot (maxillipede II) 6= 3de Kaakpoot (maxillipede III) 7= Schaarpoot met schaartje 8= 2de Looppoot met schaartje 9= 3de Looppoot 10= 4de Looppoot 11= 5de Looppoot 12= 1ste Zwempoot 13= Exopodiet 14= Endopodiet 15= 3de Zwempoot |
|
![]() |
|
Het kopgedeelte |
|
Het kopgedeelte is opgebouwd uit zes geledingen. Op het eerste gedeelte zitten de facetoogjes die op beweeglijke oogstelen staan. Het tweede segment draagt de kleine sprieten en wordt daardoor ook soms de antennulair genoemd, ook op dit segment bevindt zich de mond. Het derde segment draagt de grote sprieten en op het vierde deel zitten de bovenkaken en de stevige kauwplaten die voorzien zijn van tasters en tanden. Het vijfde segment hanteert de eerste mondwerktuigen (maxillulen) en op het laatste kopgedeelte zitten de tweede mondwerktuigen (maxillen), deze zijn iets groter dan de eerste monddelen.
|
|
Het borststuk |
|
Het borststuk (thorax) telt acht geledingen, elk voorzien van poten (thoracopoden). Deze worden met de naam “pereipoden” vermeld omdat het middenlichaam in het Grieks “Pereion” luidt. De eerste drie segmenten dragen kaakpoten (maxillipeden) waarvan de lengte toeneemt met de segmenten. Hierna volgen de vijf paar looppoten of de eigenlijke pereipoden, die de naam “”Tienpotigen” aan de bezitters hiervan schonken. Het vierde segment van het middenlichaam geeft steun aan de befaamde schaarpoten (chelipoden). Deze schaar bestaat uit een beweegbare vinger die tegen een andere vaste vinger aanslaat dat vast zit aan de palm. Deze scharen zijn zeer klein van vorm ten opzichte van een krab of kreeft, maar zijn een absolute noodzaak voor de garnaal om zijn voedsel vast te nemen en op te peuzelen. De vijfde poot bezit eveneens een petieterig schaartje van het echte schaartype, dus een Garnaal bezit twee paar schaarpoten. Alle segmenten met looppoten dragen kieuwen (endieten), deze liggen in de ademhalingsruimte die het rugschild zijdelinks van het kopborststuk vormt. |
|
Het achterlijf van de Garnaal |
|
Het
achterdeel is het duidelijks geleed en draagt karakteristieke splijtpootje.
Op de eerste vijf geledingen bewegen
de zwempootjes. Buiten- en binnenpoot vormen soepele en smalle roeispanen.
Het zesde en laatste segment draagt stevige staartpootjes (uropoden).
Het zijn bladvormige verbrede splijtpootjes, die samen met het puntige
sluitstuk (telson) de waaierstaart vormen. |
|
Het onderscheid tussen de geslachten |
|
Bij het grootste part van de schaaldieren is het onderscheid van de geslachten uitwendig waarneembaar, tenminste voor zover zij de geslachtsrijpheid hebben benaderd. Zo zijn garnaaltjes beneden de 20mm niet van elkaar te onderscheiden als mannetje en wijfje. Opvallend is het grootteverschil van sommige lichaamsdelen of van het lichaam in zijn geheel dat het verschil uitmaakt tussen het geslacht. Het uitwendige zweepje van de kleine spriet is van het mannetje is grover en langer dan deze van het vrouwtje, doch het vrouwtje is meestal groter dan het mannetje omdat mannetjes op rijpere leeftijd een geslachtsomkeer maken. |
|
Het pantser |
|
Hiervan kennen wij reeds de hoofdfunctie, nl steun bieden aan de weke delen en de spierweefsels. Als uitwendig skelet beschermt het de garnaal tegen gebeurlijke kneuzingen bij het ingraven. De schaal vertoont dezelfde bouw voor alle geleedpotigen en is opgebouwd uit verschillende lagen die van binnen naar buiten toe worden opgebouwd. Deze bestaat uit een basismembraan, een ééncellige huidlaag (epidermis), een binnenhuid (endocuticula) en een waterdicht vlies (epicuticula) om het geheel van het zeewater af te schermen. De binnenhuid is opgebouwd ui nog eens drie verschillende lage nl: een elastische kalkloze laag, een harde kalkhoudende laag en een gepigmenteerde prismalaag. De opbouw van de schaal gaat uit van de huidlaag. Zij scheidt eerst en vooral het waterdichte vlies af, waarin geen chitine te vinden is. Daarna wordt de pigmentlaag afgezet bestaande uit een eiwitlaag waarin chitine en melaninepigment opgenomen worden. Deze laag is opgebouwd uit rechtopstaande prisma’s. Ieder prisma komt met één huidcel overeen. De stevigheid van het pantser wordt versterkt door de dikke kalklaag dat bestaat uit lagen van gevlochten matjes eiwitvezels waartussen chitine en vormloze kalk gekit zitten. Deze laag is er niet in de geledingen en de gewrichten om de beweeglijkheid te verzekeren.
|
|
De groei en gedaanteverwisseling |
|
Het pantser geeft aan de Garnaal de nodige stevigheid, doch het is niet rekbaar en stelt dan ook problemen tijdens de groei, ze moeten dan ook af en toe van pantser veranderen, het nieuwe nog niet uitgeharde pantser vormt zich onder het huidige pantser die daarna wordt afgeworpen. De groei van een Garnaal gebeurt bij wijze van spreken in schokjes. Een mannetjesgarnaal vervelt ongeveer dertig maal en een vrouwtje ongeveer vijfendertig maal. Het mannetje maakt na zijn geslachtsverandering nog ongeveer vijf vervellingen mee. Sterk ingrijpende gedaanteverwisselingen maken de Garnalen niet mee tijdens hun verandering van geslacht. De eerste vijf vervellingen gebeuren in het larve stadium. In het zesde stadium trekken de larven hun eerste plunje aan zodat zij sterk op een volwassen garnaal gaan lijken. Hebben de larven een zwevende levenswijze, nu gaan de Garnaaltjes zo klein als ze zijn over tot het bodemleven. Na acht nieuwe vervellingen groeien zij uit tot ongeveer een 20mm lengte en zijn dan ongeveer 6 maanden oud. Vanaf nu groeien de mannetjes en vrouwtjes verschillend. Na ongeveer een jaar zijn de vrouwtjes 10mm langer dan de mannetjes. Eierdragende wijfjes wisselen slechts van pantser nadat het legsel is uitgebroed. Door het verschil in grote komen de mannetjes Garnalen slechts het tweede levensjaar in aanmerking voor consumptiegarnaal. De vrouwtjes Garnalen leven meestal drie jaar, maar kunnen ook ouder worden. |
|
Het vervellingsproces |
|
Het vervellingproces grijpt alleen ‘s nachts plaats. Binnen het oude pantser vormt zich een nieuw nog onverharde huidlaag. Het oude verweekt door het oplossen van de kalk en de chitine onder invloed van fermenten. Het grootste part van de kalk wordt in het lichaam opgehouden om later in het nieuwe pantser te worden afgegeven. Tussen het broos geworden pantser en het nieuwe in opbouw zijpelt er water, hierdoor komt het oude pantser los en breekt door op de plaatsen waar de chitineoplossende fregmenten het meeste zijn ingewerkt. Ondertussen heeft de weke huidlaag zich buitenmate vergroot en vormt zelfs vouwen.Nu wordt er langs de maag veel water opgenomen, door het overmatige vocht wordt het elastisch gevouwen pantser uitgerekt. Nadien wordt er weer kalk en chitine in het pantser afgezet waardoor de garnaal weer zijn tijdelijke vaste vorm heeft aangenomen. De verharding bij een Garnaal duurt amper 24 uur. Het overtollige water wordt na de uitharding geloosd, waardoor de garnaal nu groter is maar ook lichter dan voor zijn vervelling. Een Garnaal is verplicht te vasten tijdens zijn vervelling, hij groeit kort na zijn vervelling om dan een langere periode in gewicht toe te nemen tot aan de volgende vervelling. |
|
De inwendige bouw |
|
De inwendige delen zitten samengedrongen in het kopborststuk, het achterste gedeelte is gevuld met spierbundels die zich voortzetten in het hele achterlijf en het smakelijke garnaalvlees vormen. |
|
Het spijsverteringsstelsel |
|
Een
uiterste korte slokdarm sluit aan op de uitwendige mondwerktuigen. Het
verscheurde voedsel komt hierdoor in de kauwmaag terecht waar het verder
gekneed wordt, van hieruit gaat het voedsel naar de middendarm waar
het voedsel blijft tot het verteerd is, de onverteerbare delen scheiden
zich af via de einddarm die doorheen het hele achterlijf loopt en eindigt
langs de buikzijde met de aars. |
|
Het bloedvatenstelsel |
|
Merkwaardig is de open bloedsomloop bij de Garnaal. Tussen de slagaders en de aders vloeit het bloed in holten en spleten, haarvaten zijn niet aanwezig. Het hart ligt langs de rugzijde in de achterste helft van het kopborststuk. Het bloed is een kleurloos vocht dat in aanraking met lucht blauw wordt. |
|
Het ademhalingsstelsel |
|
Vier
paar kieuwen zitten zijdelings vast op de geleding van de looppoten waarlangs
zuurstof uit het water wordt opgenomen. De kieuwen hebben de vorm van
een blad waarvan de hoofdnerf de vaatweg herbergt. |
|
De voortplantingsorganen |
|
De voortplantingsorganen liggen tussen het hart en de maag en zijn buisvormig. Deze zijn bij het vrouwtje sterker ontwikkeld dan bij het mannetje. De bevruchting geschiedt door de koppeling van een mannetje met hard pantser en een vrouwtje dat net is verveld, en nog een zacht pantser heeft. De bevruchte eieren worden afgelegd in de broedruimte, gevormd door het eerste vier paar zwempoten en de basissen van de twee laatste zwempoten. Daar worden de eitjes vast geklit aan de eidragende haren, die van cementklieren zijn voorzien.
|
|
De zintuigen |
|
De
reukzin De geur wordt waargenomen door de reukharen die op de buitenste zweepjes zitten van de kleine antennen. Het mannetje telt 4 maal meer reukharen dan het vrouwtje, en kan bij een mannetje oplopen tot 700 reukharen per reukzweepje. Voor een gulzig dier als de Garnaal is het van groot belang zijn prooi te ruiken, hiervoor stelt de Garnaal zich steeds op met de kop naar de tegenstroom en evenwijdig met de stroom. De oogstelen dragen niervormige ogen die facetogen zijn. Elk oog bestaat uit honderden oogjes die kleurschakeringen ontleden volgens het uitgestraalde licht. De oogstelen zijn beweegbaar zodat een Garnaal een oogje in het zeil kan houden in alle richtingen. De ogen van de larven zijn naupliusogen gevormd door een of twee oogcellen die lichtbrekende organieten bevatten die de werking van een lens uitoefenen.
|
|
De levenswijze |
|
Naargelang het jaargetijde houdt de Garnaal zich onder of ver uit de kust. Tijdens het warme seizoen leeft de Garnaal vlak onder de wal, omdat hier in het voorjaar het kustwater sneller opwarmt dan in volle zee. Garnalen weten al heel jong het warme water op prijs te stellen, alhoewel dit niet de enige reden is. Onder de wal is het water brakker onder invloed van aanvoer van zoet water uit het binnenland dat rijker is aan minerale stoffen. Dit water voert voor de boeren verloren meststoffen met zich mee die in een handomdraai omgezet worden in plankton. Deze bloei van lilliputter planten zijn een welkom voedsel voor het jonge broed van de Garnalen die in de oppervlakte wateren leven. Hierdoor is het verklaarbaar waarom er steeds minder Garnalen te vangen zijn. De boeren mogen de natuurlijke waterbuffers, de “broeken” genaamd, onder invloed van bepaalde instanties slechts op een gecontroleerde manier bemesten en beheren en er wordt bijna geen rioolwater meer in zee geloosd, die rijk is aan biologische stoffen. De invloed van afgevoerde meststoffen is vooral voelbaar bij een regenrijke periode waarbij de garnaalstapel omvangrijker wordt Zo ziet men maar dat “de groenen” het niet altijd bij het juiste eind hebben. Bij lage temperaturen ondervindt de Garnaal veel moeilijkheden om zijn eigen zoutgehalte op peil te houden. De winter stuurt de Garnalen dan ook naar rustiger oorden ver uit de kust; waar het zoutgehalte omzeggens gelijk blijft en waar de temperatuurschommelingen minder het milieu beïnvloeden. Bij een groter watervolume koelt het water langzamer af, de hoge zee behoudt dus langere tijd de zomerwarmte dan het ondiepe kustwater. |
|
Het ingraven |
|
De
Garnaal heeft in de open zee een groot aantal vijanden leeft dan ook bijgevolg
heel verdekt. Hij schuilt niet onder stenen, doch hij graaft zich in om
zo aan het oog van menig vijand te ontkomen. Veel zand en slibrijke bodems
zijn dan ook voor de Garnaal zeer aangewezen. De Garnaal kan zich verassend
vlug ingraven. Hij strijkt neer op de bodem en zoekt een zachte of slibrijk
plaatse op. Hij begint met al zijn pootje, vooral de zwempootje, de bodem
te omwoelen en graaft op deze manier een kuiltje naar zijn eigen maat.Met
zijn looppoten zoekt hij wat houvast in de bodem en smakt met zijn gespierde
achterlijf twee tot drie keer tegen de het losgescharrelde zand. Het opgestegen
wolkje zand overdekt al heel snel de ingegraven garnaal. Met behulp van
zijn antennen strijkt hij het zand mooi glad en zijn facetogen alsook
zijn sprieten die het reukorgaan herbergen steekt hij net door het zand
heen om zich zo van de situatie en de vijand te vergewissen. Op deze manier
kan hij ook een mogelijke prooi waarnemen en belagen. Ingegraven hout
hij een regelmatige watercirculatie onder de kopschubben in stand om zijn
ademhaling in stand te houden en zijn kieuwen zuiver te maken. |
|
De voortbeweging |
|
|
De Garnaal kan zich in alle richtingen voortbewegen. De bewegingswijze is onderverdeeld in drie hoofdbewegingen nl; schrijden, vooruit zwemmen en achteruitschieten. Bij het schrijden zijn de tien looppoten in werking, waarbij de schaarpoten eveneens dienst doen. Het vooruit zwemmen geschiedt met behulp van de zwempootjes die op het achterlijf zitten. Deze pootjes voeren een gezamenlijke spreidbeweging uit zoals bij een tienriemsboot en als een vijfriemsboot bij het eidragend vrouwtje. De binnenste poten van deze vrouwtjes kregen de functie van eidragers toebedeeld. Achteruitschieten is de beweging in gevaar. De sterke buikspieren klappen hierbij met een snelle beweging het achterlijf tegen het kopborststuk. De waaierstaart en de kopschubben vergroten de oppervlakte waarbij zij meer stuwkracht geven aan de beweging |
![]() |
|
Camouflage |
|
Voor
een dier als de Garnaal, dat graag een fris hapje lust is het van groot
belang om zo onopvallend mogelijk te zijn voor zijn prooien en zijn vijanden.
De Garnaal die dan ook menig belager moet ontduiken kan gebruik maken
van een camouflage door kleur verandering. De Garnaal bezit vijf kleurstoffen
die het hem mogelijk maken om zijn lichaamskleur aan te passen aan zijn
omgeving nl: bruin, zwart, wit, geel en rood. Met deze kleuren is het
mogelijk zich aan te passen aan elke bodem soort zoals zand of slijkbodem.
De Garnaal slaagt er ook zeer goed in om kleuren te onderscheiden en eenmaal
de bodemtint is opgenomen door het oog treedt een neurohumoraal reflex
in werking. Het oog verwittigt over het centrale zenuwstelsel de sinusklier
van de oogsteel. Die zenuwklier spuit in de bloedsomloop het bepaald aantal
hormonen die de overeenkomstige kleurstoffen ertoe aanzetten zich te verschuiven
om de meest gelijkende patroon van de omgeving na te bootsen. |
|
De spijskaart |
|
![]() |
Al
eten de Garnalen groenalgen, zij mogen vleeseters (viseters) genoemd worden.
Zij verkiezen immers levende buit zoals zeer kleine schaaldieren, wormen
en schepdieren. Als nevengerecht verorberen ze ook kleine visjes. De Garnaal
slikt ook slib en zandkorreltjes die de kauwmaag helpen bij het kauwen.
Wormen en schaaldiertjes overwegen in de voeding naar gelang de ouderdom
het seizoen de verblijfplaats en het geslacht. De
mannetjes verkiezen actief te jagen op vrij zwemmende dieren terwijl de
wijfjes daarentegen houden van een lomere voedingswijze. Zij stellen zich
tevreden met prooien die op de bodem te vinden zijn. In slibrijke bodems
leven er meer wormen terwijl op de zanderige gronden meer schaaldieren
te vinden zijn. De voeding weerspiegelt zich steeds in de kleur van de
Garnaal. De slibgarnaal heeft een donkere kleur of een groenachtige kop,
ze zijn ook gewoonlijk iets groter maar minder smakelijk en weker van
vlees dan de zandgarnaal die bleker van kleur is. In het koudere seizoen worden hoofdzakelijk
wormen buit gemaakt en kleine schaaldiertjes zijn dan een buitenkansje.
In warme perioden is het voedsel zeer veranderlijk. Mosseltjes en slakjes
prijken er op het menu naast schaaldiertjes en wormen. In de nazomer gaan
de Garnalen over op het eten van overwegend kleine schaaldiertjes om dan
in de herfst over te gaan op overwegend wormen. Jonge garnaal verkiest
schaaldieren die gewoonlijk veel kleiner zijn dan hijzelf en die terstond
kunnen ingeslikt worden. |
De volwassen Garnalen durven ook wormen
aan die groter zijn dan zijzelf en het inslikken van deze duur soms meerdere
uren. Als wormen komen volgende soort in aanmerking: zeeduizendpoot of
kleine zagers (Nereis), zeerupsen (Harmathoe), zeemuizen (Aphrodita),
zeeduizendbenen (Nepthys), zandpieren (Arenicola), goudkammetjes (Pectinarin),
en schelpkokerwormen (Terebella). Beide laatste wormen leven in een koker
waar zij uitgesleurd worden van zodra de worm zijn kop naar buiten steekt.
Garnaallarven
eten graag raderdiertjes (Rotatoria), en geseldiertjes (Ciliata-Protozoa).
Als schaaldieren verkiezen de
garnaallarven de naupliuslarven van de zeepokken en roeipootkreeftjes. Piepjonge
Garnalen overvallen cyprislarven terwijl de oudere Garnalen splijtpootkreefjes,
vlokreeften en slikkreeftjes verorberen. De volwassen garnaal belaagd
ook zijn pas vervelde soortgenoten en behoord hierdoor bij de kannibalen
soort. Men mag aannemen dat alle vissen uit de kustzone Garnaal eten, en wegens hun grote aantal eten deze meer Garnaal dan menig visser aan land kan brengen. |
|
De visserij |
|
De
Garnaalvisserij is eeuwen oud, doch de eerste gegevens dateren van rond
1780. Thans schommelt de aanvoer van Garnalen sterk, dit hangt niet af
van het beginsel vraag en aanbod maar van de omvang van de Garnaalstapel
en de bevaarbare dagen. Bij aanvang werd Garnaal te voet gevist. De kruiers
beschikken over een vistijd van ± 2 uren voor laag water. Het Garnaalkruien
gebeurde allereerst met een kruinet, dit was een steeknet dat de visser
voor zich uit duwde en zo de Garnaal met een puntvorm net uit het water
opschepte. Deze kruinetten waren een vadem breed (1.82m). Het kruien werd
veeleer door de visvrouwen beoefend als bijverdienste terwijl de man weken
lang op zee verbleef voor de visvangst De rijkere boerenvissers spanden
een ezel of een muilezel voor het net om zichzelf van het zware werk te
ontdoen en jaren later veranderde dit in een paard. Eertijds werd een
karte, een eenvoudig sleepnet opgespannen op een smalle plank en open
gehouden door een verticale stok, achter het paard getrokken. Wanneer
hiermee op weke bodem werd gevist was er kans dat het net veel slib schepte,
hiervoor moest men dan de verticale boom lossen. Later ging men over tot
de sleepnetten met scheerborden “planken”, die afstammen uit de zeevisserij.
Deze visdeuren worden aan de zijdelinkse vleugels van het net bevestigd,
deze trekken onder de stuwkracht van het water het net wijd open. Vóór
1940 waren er nog 40 garnaalvissers te paard. Te oostduinkerke zijn nog
op heden een vijftal paardenvissers actief. Deze voorvaderlijke vismethode
leefde tot aan Wereldoorlog I ten brode, en om deze oeroude vismethode
te vereeuwigen heeft Oostduinkerke in zijn folkloristische Garnaalfeesten
sinds 1956 wedstrijden in het kruien ingericht. Ook de Garnaalclubs “De
slepers” en “De Spanjaardbank” geven nog menig demonstraties tijdens de
zomer maanden op de stranden van de westhoek. Hier maken de zeer vele
toeristen kennis met de eeuwenoude strandvisserij. Te Oostende zijn het
de Garnaalkruiers Vuurtorenwijk en de Garnaalkruiers Opexkruiers die de
toon aangeven |
|
Het Garnaalvissen per boot |
|
De
op de Noordzee meest toegepaste manier van vissen, is die met sleepnetten,
welke over de bodem worden getrokken. Het netwerk voor zo'n garnalennet
is heel fijnmazig, en dus heel vatbaar voor schade, veroorzaakt door obstakels
op de bodem. Om eventuele schade te voorkomen bij de garnalenvangst per
boot rolt voor het net een zogenaamde klossenpees uit, welke er voor moet
zorgen dat de onderzijde van het net een door de schipper bepaalde afstand
van de bodem blijft, de klossen pees zorgt er ook voor dat de garnalen
van de bodem opspringen, zodat ze door het net opgeschept kunnen worden.
Een klossenpees is een soort stalen ketting, met daaromheen plastic of
rubber klossen. Bij de strandvisserij zijn de netten veel kleiner en is
de bodem minder aan obstakels onderhevig omdat deze door de branding worden
uitgewassen, een Garnaalvisser te voet of te paard is ook veel waakzamer
en kan indien nodig obstakels omzeilen. De breedte van een garnalennet
van een strandvisser te voet bedraagt tussen 1.5 en Het net op zich is te vergelijken met een grote trechter, welke wordt voortgetrokken. De vangst die door het net opgeschept wordt, gaat door de trechter naar het uiteinde van het net, waar de zak zit. De zak is een cilindervormig stuk netwerk, wat met een touw (pooklijn) dicht geknoopt zit. Als na het maken van een trek de netten opgehaald worden, wordt deze zak boven het schip gehesen, waar het dekpersoneel de pooklijn kan lostrekken, en de vangst in de lasthokken kan vallen. Na het net weer dicht geknoopt te hebben, worden de tuigen weer weg gevierd, en begint men de vangst te verwerken. De schipper bepaalt waar er wordt gevist, wat hij meestal doet aan de hand van zijn ervaringen, en de vangstresultaten van voorgaande weken. En natuurlijk de weersituatie is belangrijk. Als het weerbericht storm voorspeldt, zullen we niet zo ver bij de haven vandaan stomen. Een visreis begint met het vertrek uit de haven, waarna naar de visgronden wordt gestoomd. Dit "stomen" kan variëren van tien minuten tot meer dan vierentwintig uur. Als het schip op de visgronden is aangekomen, wordt eerst gecontroleerd of het netwerk en de tuigen klaar zijn om overboord te worden gehesen. De zakken worden stevig dichtgeknoopt, en de tuigen kunnen overboord worden gehesen. Als de tuigen overboord hangen, wordt er vooruit gevaren met de netten boven water, om te controleren of het net niet in de war is geraakt. Wanneer alles in orde blijkt kunnen de kunnen de staaldraden waaraan de vistuigen hangen worden weggevierd. Wanneer de netten ver genoeg zijn weggevierd, drie tot vier maal de waterdiepte, wordt de motor op het juiste toerental gezet om de netten met een snelheid van ongeveer 3 Zeemijl per uur over de bodem te trekken. Hoelang zo'n trek duurt hangt af van de hoeveelheid krabbetjes of kwallen die zich op de bodem bevinden. Normaal gesproken duurt een trek anderhalf tot twee uur. Na deze periode worden de staaldraden (vislijnen) opgedraaid, zodat de netten weer boven water komen, en de zakken kunnen worden geleegd. Garnalen kunnen zowel overdag als na zonsondergang gevangen worden, wat garnalenvisserij een continu doorlopend proces maakt. Dag in, dag uit. Garnalen schepen zijn meestal niet zo heel erg groot, zeker niet vergeleken
met de moderne tong en schol vissers. De meeste garnalenschepen hebben
een hoofd motor met een vermogen van ongeveer driehonderd PK. Dit is
221 Kilowatt. Dit is genoeg kracht, om de netten over de bodem van de
zee te trekken. Deze driehonderd PK is weinig, in vergelijking met de
tong-schol vissers, die een vermogen van 2.000 tot 5.700 PK hebben. |
|
Info uit : De Garnaal door het Koninklijke Belgisch Instituut der natuurwetenschappen
La pêche crevettière sur la côte belge Observations sur la crevette
grise de la côte belge A study of Crangon vulgaris in de Colour adaption of the
zoea of the shrimp Crangon crangon Die biologischen Grundlagen der Büsumer Garnelenfischerei De strandvisserij langs de Vlaamse Noordzeekust Bewerkt en herwerkt door J. Vanhoutte “De Spanjaardbank” Oostduinkerke. Bijgewerkt voor de website www.garnaalkruiers.be door Robert Cogghe © Cogghe Robert |
|